Een op vijf nieuwe artsen heeft buitenlands diploma
Meer dan een op de vijf nieuw erkende artsen behaalde het diploma in het buitenland. Bij tandartsen loopt dat aandeel op tot bijna de helft, blijkt uit opgevraagde cijfers.

Meer dan een op de vijf nieuw erkende artsen in België heeft een diploma dat buiten ons land werd behaald. Bij tandartsen ligt dat aandeel nog een stuk hoger: bijna de helft van de nieuwe erkenningen gaat naar houders van een buitenlands diploma. Dat blijkt uit cijfers die N-VA-Kamerlid Frieda Gijbels heeft opgevraagd.
De cijfers hebben betrekking op de erkenningen die in ons land worden afgeleverd, het moment waarop een afgestudeerde effectief aan de slag mag als arts of tandarts. Ze zeggen dus iets over de instroom op de arbeidsmarkt, niet over het totale aantal beroepsbeoefenaars. Toch noemt Gijbels de vaststelling opvallend. Ze vraagt zich af of de deur voor buitenlandse artsen niet te ver openstaat.
Erkenning als toegangspoort tot de arbeidsmarkt
Wie in België als arts of tandarts wil werken, heeft een erkenning nodig van de bevoegde overheid. Die erkenning volgt normaal gezien na een volledige opleiding aan een Belgische universiteit, maar kan ook worden toegekend aan wie in het buitenland studeerde en daarna een procedure doorloopt om het diploma hier te laten erkennen.
Die procedure verloopt niet voor iedereen identiek. Voor artsen en tandartsen met een diploma uit een andere lidstaat van de Europese Unie geldt het vrij verkeer van personen en diensten, wat de erkenning in principe eenvoudiger maakt. Voor diploma's van buiten de Europese Unie is er een aparte beoordeling, waarbij onder meer wordt gekeken naar de inhoud van de opleiding en naar eventuele aanvullende voorwaarden of stages.
Het aandeel van buitenlandse diploma's in de nieuwe erkenningen is de voorbije jaren een terugkerend thema geworden in het debat over de toegankelijkheid van de gezondheidszorg. België kampt al langer met een tekort aan huisartsen in bepaalde regio's en met wachtlijsten bij sommige specialismen, waardoor de instroom van artsen van elders vaak als een deel van de oplossing wordt gezien.
Verhouding tussen instroom en opleidingscapaciteit
Tegelijk roept dezelfde instroom vragen op over de verhouding tussen het aantal opleidingsplaatsen in België en het aantal erkenningen dat uiteindelijk wordt afgeleverd. Als een aanzienlijk deel van de nieuwe beroepsbeoefenaars niet in ons land heeft gestudeerd, rijst de vraag of de binnenlandse opleidingscapaciteit in verhouding staat tot de behoefte op de arbeidsmarkt.
Bij tandartsen is dat effect het meest uitgesproken. Bijna de helft van de nieuwe erkenningen gaat naar iemand met een buitenlands diploma. Dat cijfer ligt gevoelig, omdat de opleiding tot tandarts in België met een beperkt aantal plaatsen werkt en studenten daardoor soms uitwijken naar het buitenland.
Of die uitstroom naar buitenlandse opleidingen op zichzelf een verklaring vormt voor het hoge aandeel, blijkt niet uit de opgevraagde cijfers. Evenmin is duidelijk of het gaat om mensen die tijdelijk in België komen werken of om beroepsbeoefenaars die zich hier definitief vestigen. Dat maakt het moeilijk om uit de cijfers alleen conclusies te trekken over de langetermijneffecten voor de gezondheidszorg.
Politieke discussie over erkenning en kwaliteit
De vraag van Gijbels past in een breder politiek debat over de erkenning van buitenlandse diploma's in de zorgsector. Voorstanders wijzen op de noodzaak om tekorten weg te werken en op het recht van patiënten op tijdige zorg. Critici benadrukken dat de kwaliteit van de opleiding en de gelijkwaardigheid van de beroepsuitoefening gegarandeerd moeten blijven.
De cijfers roepen de vraag op of de toegang tot het beroep voldoende wordt afgestemd op de behoeften en de kwaliteitsnormen in ons land.
Hoe dan ook tonen de cijfers dat de instroom van buitenlands opgeleide artsen en tandartsen geen marginaal verschijnsel meer is. Voor beleidsmakers betekent dat een dubbele opdracht: enerzijds nagaan of de erkenningprocedures voldoende streng en tegelijk werkbaar zijn, anderzijds bekijken of de eigen opleidingscapaciteit moet worden bijgestuurd.
Verwacht wordt dat het thema de komende maanden opnieuw aan bod komt in het parlement, waar de cijfers van Gijbels als basis kunnen dienen voor verdere vragen over erkenning, opleidingsplaatsen en de organisatie van de gezondheidszorg in België.



